Overstap basisonderwijs – voortgezet onderwijs

Home > Informatie Professionals > Overstap basisonderwijs – voortgezet onderwijs

Een aantal leerlingen zal in het voortgezet onderwijs extra ondersteuning nodig hebben, al dan niet in de vorm van leerwegondersteunend onderwijs (LWOO), Praktijkonderwijs (Pro) en/of Extra Ondersteuning (de oude rugzak).

Om toelaatbaar te zijn tot deze vormen van onderwijs is een Aanwijzing LWOO, een Toelaatbaarheidsverklaring Praktijkonderwijs en/of toekenning Extra Ondersteuning noodzakelijk.
De basisschool meldt de leerlingen aan, waarvan zij denken dat zij een vorm van ondersteuning nodig hebben in het voortgezet onderwijs. Dit gebeurt in Onderwijs Transparant (OT) met een ZorgAanmeldFormulier. Hier vindt u de link naar OT. Filmpjes voor basisscholen over het invullen van het ZAF/OKR zijn hier te bekijken.

Analyse/ toetsing van de gegevens levert de informatie op die noodzakelijk is voor een Aanwijzing LWOO , Toelaatbaarheid Pro en/of toekenning Extra Ondersteuning (schooljaar 2022/2023).

Downloads

In deze documenten vindt u uitgebreide informatie over het ondersteuningsaanbod bij de overgang primair onderwijs / voortgezet onderwijs in onze regio.

Veelgestelde vragen over dit onderwerp

Wat is basisonderwijs?

Alle scholen voor voortgezet (speciaal) onderwijs in Schiedam, Vlaardingen, Maassluis en Maasland hebben met elkaar afgesproken welke ondersteuning zij de leerlingen minimaal bieden. Hoe die basisondersteuning precies wordt vormgegeven staat beschreven in het schoolondersteuningsprofiel van de school.

Download informatie basisondersteuning

Welke didactisch onderzoek wordt er gedaan?

Het Drempelonderzoek
Het Drempelonderzoek is een didactische toets die in groepsverband kan worden afgenomen bij leerlingen van groep 8 en leerlingen van klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs , waarbij gekeken wordt hoe goed een kind presteert bij
– Technisch Lezen
– Begrijpend Lezen
– Spelling
– Rekenen
Er komt per vak een uitslag, waarbij het didactisch (schools) functioneren van een kind wordt vergeleken met leerlingen die een zelfde aantal maanden onderwijs hebben gevolgd. Dit geeft een score voor het leerrendement. Met het leerrendement wordt in procenten uitgedrukt, wat het leerproces bij déze leerling aan resultaat heeft opgeleverd. Hier geldt logischerwijs: een score van 100% betekent “op niveau”; een score kleiner dan 100% is een achterstand en een score groter dan 100% is een voorsprong.

Welke intelligentieonderzoeken kunnen worden afgenomen?

De NIO
In groep 7 en 8 van de basisschool of in klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs wordt soms de NIO afgenomen.
NIO:
De NIO is een intelligentietest die in een groep wordt afgenomen. De kinderen/jongeren krijgen per testonderdeel klassikale instructie over de zes onderdelen van de NIO, waarna ze zelfstandig aan het werk gaan. Tussendoor is er gelegenheid tot het stellen van vragen.
Binnen de NIO wordt gekeken naar drie factoren, nl.:

  • Verbaal Vermogen: het begrijpen van en redeneren met behulp van taal
  • Rekenkundig en redeneervermogen: het oplossen van (reken) problemen, waarbij taal in
    principe geen rol speelt
  • Ruimtelijk Inzicht: het inzicht in ruimtelijke structuren

Op basis van de totale prestatie wordt een Totaal IQ bepaald. (Dit is niet het gemiddelde van de drie factoren). De factor Verbaal Vermogen komt in de uitslag terug als het Verbale IQ (VIQ). De tweede en derde factor (Rekenkundig en Redeneervermogen, Ruimtelijk Inzicht) worden samen de Symbolische Intelligentie (SIQ) genoemd.

De WISC-V NL:

De vijfde editie van de Wechsler Intelligence Scales for Children (WISC-V NL) is vanaf 2019 de meest gebruikte intelligentietest in Nederland. Deze individuele intelligentietest is bedoeld voor jongeren van 6 t/m 16 jaar. De WISC-V NL geeft allereerst een indruk van de algemene intelligentie. Aanvullend daarop geeft de test informatie over het functioneren op belangrijke vaardigheidsgebieden , waaronder de taalvaardigheid, de probleem oplossende vaardigheden, het geheugen en het verwerken van nieuwe informatie.

De WISC-V NL bestaat uit 7 kern-testonderdelen (taken, opdrachten) die het algemeen IQ leveren.  Deze zullen altijd afgenomen worden. Aanvullend op deze 7 kern-testonderdelen die leiden tot het algemeen IQ, kunnen nog maximaal 7 andere testonderdelen worden afgenomen. Afhankelijk van de hulpvraag beslist de testleider welke taken aanvullend worden afgenomen.

Op alle testonderdelen zijn de opgaven oplopend in moeilijkheidsgraad. Hierdoor wordt er gekeken wat een jongere makkelijk afgaat en wanneer het te moeilijk wordt.

 

In het onderzoeksverslag staan een Totaal IQ score en vijf Indexscores:

Het Totaal IQ (TIQ) geeft een beeld over het vermogen om nieuwe kennis op te doen, met deze kennis doelbewust te handelen, rationeel te denken en effectief met de omgeving om te gaan. Het gaat dus eigenlijk over ‘alles’ wat hij/zij geleerd heeft en kan (nou ja, alles wat een beetje met school en leren te maken heeft). Het is een soort algemeen beeld van wat de jongere kan.

De Verbaal Begrip Index (VBI) hangt samen met het vermogen van een jongere om met behulp van taal te redeneren, om gedachtes uit te drukken. Daarnaast geeft deze Index ook een indruk van de kennis  die een jongere heeft opgedaan op school en in het dagelijks leven.

De Visueel-Ruimtelijke Index (VRI) bestaat uit opdrachten die een goede indruk geven van de vaardigheden van een jongere om visuele informatie te analyseren en verwerken. Er wordt een beroep gedaan op het inzien van deel-geheel  relaties, visuele integratie (het samenvoegen van de visuele informatie) en inzicht in ruimtelijke figuren (ruimtelijk inzicht).

Het Fluïd Redeneren (FRI) kan worden omschreven als het probleemoplossend vermogen. Bij deze Index gaat het om het verwerken van nieuwe informatie, inzicht in vraagstukken en het bedenken van nieuwe oplossingen. Het gaat om het ontdekken van (oorzaak-gevolg) relaties, het herkennen van onderliggende concepten en logisch redeneren. D.w.z. of de jongere goed kan bedenken hoe hij/zij iets kan aanpakken om tot een goede oplossing te komen.

Het Werkgeheugen (Werkgeheugenindex, WGI) omvat het kort kunnen onthouden en bewerken van eenvoudige informatie. Het werkgeheugen ligt aan de basis van het leren, het is belangrijk voor het onthouden en toepassen van nieuwe informatie zoals instructies, grammatica en rekenregels.

Bij de Verwerkingssnelheid Index (VSI) wordt gekeken naar de vaardigheden die een jongere heeft om snel informatie te verwerken en beslissingen te nemen. Hierbij speelt aandacht een belangrijke rol.

Wat is intelligentie?

Een van de belangrijkste grondleggers van het denken over intelligentie is David Wechsler. In 1944 beschreef hij intelligentie als “het vermogen om doelgericht te handelen, rationeel te denken en effectief met de omgeving om te gaan”. Anders gezegd: het gaat bij intelligentie om het vermogen van een kind/jongere om de wereld om hem heen te begrijpen en met die wereld om te gaan. Het doelgericht handelen duidt op de handelingen waarmee je een bepaald doel bereikt dat je jezelf eerst hebt gesteld. Het gaat ook om het doelgericht verwerken van informatie, het (onbewust) beoordelen welke informatie van belang is en welke informatie genegeerd kan worden.
Intelligentie heeft dus te maken met de manier waarop een kind/jongere de informatie uit de buitenwereld kan verwerken. Het gaat om prikkels die via de zintuigen binnen komen: visuele informatie (zien) via de ogen, auditieve informatie (horen) via de oren en tactiele informatie (voelen) via de huid, enzovoort. Intelligentie heeft in globale zin betrekking op de manier waarop een persoon die informatie filtert, ordent, vergelijkt met al bekende informatie, omzet in schema’s en patronen, opslaat in het geheugen en tenslotte gebruikt om een reactie voor te bereiden en uit te voeren. Het gedrag dat wij van een kind zien is het eindresultaat van al die informatieverwerkingsprocessen. Je kunt ook zeggen dat iemand steeds meer begrip en inzicht gaat ontwikkelen voor die binnenkomende informatie en er steeds routinematiger mee om kan gaan.

In dat informatieverwerkingsproces gebruikt een kind/jongere zijn cognitieve functies. Intelligentie kan gezien worden als een samenspel van verschillende domeinen van cognitief functioneren. Daar horen vooral het verbale begrip en inzicht bij, het domein van het visueel verwerken van informatie, de aandacht en het geheugen. Al die domeinen samen maken de reactie op de informatie uit de omgeving mogelijk.
Het gedrag dat iemand kan laten zien en de cognitieve processen die daar achter liggen zijn het resultaat van de ontwikkeling van de hersenen. De kwaliteit van die ontwikkeling wordt in belangrijke mate bepaald door het samenspel van de genen (de erfelijke eigenschappen) en omgevingsfactoren. De omgeving kan stimulerend zijn, maar ook bedreigend. De ontwikkeling van de hersenen en dus ook van de intelligentie kan verstoord of bedreigd worden door bijvoorbeeld hersenziekten of trauma of door emotionele of fysieke verwaarlozing. Door factoren als voldoende rust, voeding en veiligheid, optimale stimulatie en uitdaging wordt de ontwikkeling van de intelligentie juist gunstig beïnvloed. De intelligentie die wij meten op een bepaald moment in de ontwikkeling van een kind is dus altijd een momentopname uit dat ontwikkelingsproces. Daarin komt de interactie tussen die aanleg en die omgevingsfactoren op dat moment tot uiting.
Om de intelligentie te kunnen meten, zijn diverse tests ontwikkeld. Met deze tests kan het IQ, het Intelligentie Quotiënt, IQ, worden bepaald. Dit is een maat voor de vergelijking van de werkelijke leeftijd van een kind/jongere ten opzichte van de mentale leeftijd. Het is een getal waarmee het cognitief functioneren van een kind/jongere wordt vergeleken met leeftijdsgenoten. Het getal 100 geeft het gemiddelde aan, wat erop neerkomt dat meer dan de helft van de kinderen/jongeren (en volwassenen) op deze scores zit en ongeveer evenveel erboven en eronder. Omdat het altijd om een momentopname gaat en er altijd enige verstoring van presteren is door het toeval van het moment, wordt de score meestal weergegeven als liggend in een bepaalde ‘range’ en niet als een absoluut getal. Een gemiddeld IQ betekent een score tussen 90 en 110. Boven 110 is dan bovengemiddeld, boven 130 begaafd. Heeft een kind een IQ beneden de 90, dan spreken we van benedengemiddeld niveau, beneden 70 van zwakbegaafd.

Staat intelligentie vast?
Kan intelligentie veranderen tijdens de ontwikkeling? Ja, dat kan. Intelligentie bestaat voor een deel uit kennis die is aangeleerd. De woorden die je kent, de woorden die je gebruikt, de oefeningen die je hebt gehad op school, de kennis die je hebt van de wereld om je heen is afhankelijk van het aanbod dat je krijgt, het aanbod uit het onderwijs en het aanbod thuis. Dat noemen wij ‘crystallized intelligence’. Maar intelligentie bestaat ook uit het vermogen waarmee je met dat aanbod van thuis en school omgaat. Dat is wat wij ‘fluid intelligence’ noemen. Dus het vermogen om te redeneren, te ordenen en tot begrip en inzicht te komen. Dat actief redeneervermogen komt pas gedurende het opgroeien optimaal tot ontwikkeling en het is pas af als je volwassen bent. Dit betekent dat je
op vierjarige leeftijd dus nog niet kunt voorspellen of een kind op negenjarige leeftijd ook een goed redeneervermogen zal hebben, want van vierjarigen wordt niet hetzelfde redeneervermogen gevraagd. De vuistregel is, hoe jonger het kind hoe meer er nog tijdens de groei en ontwikkeling kan veranderen in de intelligentie. Een intelligentieonderzoek is dus altijd een momentopname en het heeft maar een beperkte houdbaarheid. Je moet intelligentie dus af en toe opnieuw meten tijdens de ontwikkeling om te weten hoe het er voor staat, omdat verschillende functies zich pas tijdens het opgroeien ontwikkelen.

Intelligentie en dyslexie
De WISC-V en WNV zijn tests die individueel worden afgenomen. De kinderen/jongeren hoeven daarbij niet te lezen of te schrijven. In principe speelt de (mogelijke) dyslexie geen rol bij het bepalen van het IQ. Op latere leeftijd kan dyslexie echter wel een rol spelen omdat de jongere door zijn/haar dyslexie mogelijk minder informatie (die gelezen moet worden) tot zich heeft kunnen nemen en daardoor iets lager scoort bij het verbale gedeelte van de test.
Bij de NIO moet wèl gelezen worden. Voor kinderen/jongeren met dyslexie is er een speciaal toetsboekje met grote letters. Zo nodig kan de tekst worden voorgelezen.

Ten slotte
IQ-getallen krijgen vaak pas betekenis als je hierin andere factoren meeneemt zoals de omstandigheden rondom de testafname, de observaties tijdens het onderzoek, schoolresultaten,
stemming, medicatie, middelengebruik, etc. Neemt u bij vragen contact op met degene die bij uw zoon/dochter het onderzoek heeft uitgevoerd/zal gaan uitvoeren.

Wat is een drempelonderzoek?

Het Drempelonderzoek is een didactische toets die in groepsverband kan worden afgenomen bij leerlingen van groep 8 en leerlingen van klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs , waarbij gekeken wordt hoe goed een kind presteert bij
– Technisch Lezen
– Begrijpend Lezen
– Spelling
– Rekenen
Er komt per vak een uitslag, waarbij het didactisch (schools) functioneren van een kind wordt vergeleken met leerlingen die een zelfde aantal maanden onderwijs hebben gevolgd. Dit geeft een score voor het leerrendement. Met het leerrendement wordt in procenten uitgedrukt, wat het leerproces bij déze leerling aan resultaat heeft opgeleverd. Hier geldt logischerwijs: een score van 100% betekent “op niveau”; een score kleiner dan 100% is een achterstand en een score groter dan 100% is een voorsprong.

Wat is extra ondersteuning?

Extra ondersteuning is bedoeld voor leerlingen die extra begeleiding nodig hebben doordat ze gedragsproblemen hebben, psychiatrische problemen, langdurig ziek of zeer moeilijk lerend zijn. Iedere school biedt basisondersteuning, maar als een leerling méér onderwijsbehoeften heeft dan de basisondersteuning kan bieden, kan extra ondersteuning de leerling helpen om toch een diploma op een bij hem of haar passend niveau te halen. In overleg met de school, ouders, leerling en de onderwijsondersteuningsspecialist van het samenwerkingsverband wordt in kaart gebracht welke speciale onderwijsbehoeften de leerling heeft en of die voldoende zijn om extra ondersteuning te krijgen. Een leerling met extra ondersteuning krijgt extra begeleiding van de mentor, een coach of een onderwijsondersteuningsspecialist. Soms zijn aanpassingen nodig, zoals een laptop, een aangepaste stoel, een aparte plek in de pauzes, hulp bij planningen enz. Welke aanpassingen nodig zijn, hangt af van de onderwijsbehoeften van de leerling.

Wat is leerwegondersteuning (LWO)?

Leerlingen in het vmbo die extra begeleiding nodig hebben om een vmbo-diploma te behalen, kunnen leerwegondersteuning krijgen. Leerlingen komen in aanmerking voor leerwegondersteuning als ze meer dan 25 % achterstand hebben op twee van de vakken Begrijpend Lezen, Rekenen, Spelling en Technisch Lezen (in ieder geval een achterstand bij Begrijpend Lezen of Rekenen). Vaak zitten leerlingen met leerwegondersteuning in kleinere klassen, is er extra tijd om achterstanden in te halen, zijn er minder verschillende docenten en is er extra aandacht voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen.

Wat is praktijkonderwijs?

Praktijkonderwijs is voor leerlingen die niet in staat zijn een diploma van het voortgezet onderwijs te halen. Leerlingen komen in aanmerking voor leerwegondersteuning als ze meer dan 50 % achterstand hebben op twee van de vakken Begrijpend Lezen, Rekenen, Spelling en Technisch Lezen en er in ieder geval een achterstand is bij Begrijpend Lezen of Rekenen. Ook hebben deze leerlingen een IQ lager dan 80.
Het praktijkonderwijs is bedoeld voor leerlingen van 12 t/m 18 jaar die moeite hebben met leren.
Het praktijkonderwijs richt zich met name op het voorbereiden op de drie belangrijkste thema’s in de toekomst van de leerling: wonen, werken en vrije tijd. Het praktijkonderwijs kent geen einddiploma. Daarvoor zijn de individuele verschillen tussen de leerlingen te groot. Wel is het mogelijk om bij diverse vakgebieden branche-erkende certificaten te behalen. Die certificaten bieden veel leerlingen de opstap naar een reguliere baan. Daarnaast vervolgen enkele leerlingen hun opleiding bij een ROC zoals Zadkine of Albeda. De meeste leerlingen verlaten de school echter met (zicht op) een baan.

Wat is de WISC V?

De WISC-V NL:

De vijfde editie van de Wechsler Intelligence Scales for Children (WISC-V NL) is vanaf 2019 de meest gebruikte intelligentietest in Nederland. Deze individuele intelligentietest is bedoeld voor jongeren van 6 t/m 16 jaar. De WISC-V NL geeft allereerst een indruk van de algemene intelligentie. Aanvullend daarop geeft de test informatie over het functioneren op belangrijke vaardigheidsgebieden , waaronder de taalvaardigheid, de probleem oplossende vaardigheden, het geheugen en het verwerken van nieuwe informatie.

De WISC-V NL bestaat uit 7 kern-testonderdelen (taken, opdrachten) die het algemeen IQ leveren.  Deze zullen altijd afgenomen worden. Aanvullend op deze 7 kern-testonderdelen die leiden tot het algemeen IQ, kunnen nog maximaal 7 andere testonderdelen worden afgenomen. Afhankelijk van de hulpvraag beslist de testleider welke taken aanvullend worden afgenomen.

Op alle testonderdelen zijn de opgaven oplopend in moeilijkheidsgraad. Hierdoor wordt er gekeken wat een jongere makkelijk afgaat en wanneer het te moeilijk wordt.

 

In het onderzoeksverslag staan een Totaal IQ score en vijf Indexscores:

Het Totaal IQ (TIQ) geeft een beeld over het vermogen om nieuwe kennis op te doen, met deze kennis doelbewust te handelen, rationeel te denken en effectief met de omgeving om te gaan. Het gaat dus eigenlijk over ‘alles’ wat hij/zij geleerd heeft en kan (nou ja, alles wat een beetje met school en leren te maken heeft). Het is een soort algemeen beeld van wat de jongere kan.

De Verbaal Begrip Index (VBI) hangt samen met het vermogen van een jongere om met behulp van taal te redeneren, om gedachtes uit te drukken. Daarnaast geeft deze Index ook een indruk van de kennis  die een jongere heeft opgedaan op school en in het dagelijks leven.

De Visueel-Ruimtelijke Index (VRI) bestaat uit opdrachten die een goede indruk geven van de vaardigheden van een jongere om visuele informatie te analyseren en verwerken. Er wordt een beroep gedaan op het inzien van deel-geheel  relaties, visuele integratie (het samenvoegen van de visuele informatie) en inzicht in ruimtelijke figuren (ruimtelijk inzicht).

Het Fluïd Redeneren (FRI) kan worden omschreven als het probleemoplossend vermogen. Bij deze Index gaat het om het verwerken van nieuwe informatie, inzicht in vraagstukken en het bedenken van nieuwe oplossingen. Het gaat om het ontdekken van (oorzaak-gevolg) relaties, het herkennen van onderliggende concepten en logisch redeneren. D.w.z. of de jongere goed kan bedenken hoe hij/zij iets kan aanpakken om tot een goede oplossing te komen.

Het Werkgeheugen (Werkgeheugenindex, WGI) omvat het kort kunnen onthouden en bewerken van eenvoudige informatie. Het werkgeheugen ligt aan de basis van het leren, het is belangrijk voor het onthouden en toepassen van nieuwe informatie zoals instructies, grammatica en rekenregels.

Bij de Verwerkingssnelheid Index (VSI) wordt gekeken naar de vaardigheden die een jongere heeft om snel informatie te verwerken en beslissingen te nemen. Hierbij speelt aandacht een belangrijke rol.

De WISC-V NL:

De vijfde editie van de Wechsler Intelligence Scales for Children (WISC-V NL) is vanaf 2019 de meest gebruikte intelligentietest in Nederland. Deze individuele intelligentietest is bedoeld voor jongeren van 6 t/m 16 jaar. De WISC-V NL geeft allereerst een indruk van de algemene intelligentie. Aanvullend daarop geeft de test informatie over het functioneren op belangrijke vaardigheidsgebieden , waaronder de taalvaardigheid, de probleem oplossende vaardigheden, het geheugen en het verwerken van nieuwe informatie.

De WISC-V NL bestaat uit 7 kern-testonderdelen (taken, opdrachten) die het algemeen IQ leveren.  Deze zullen altijd afgenomen worden. Aanvullend op deze 7 kern-testonderdelen die leiden tot het algemeen IQ, kunnen nog maximaal 7 andere testonderdelen worden afgenomen. Afhankelijk van de hulpvraag beslist de testleider welke taken aanvullend worden afgenomen.

Op alle testonderdelen zijn de opgaven oplopend in moeilijkheidsgraad. Hierdoor wordt er gekeken wat een jongere makkelijk afgaat en wanneer het te moeilijk wordt.

 

In het onderzoeksverslag staan een Totaal IQ score en vijf Indexscores:

Het Totaal IQ (TIQ) geeft een beeld over het vermogen om nieuwe kennis op te doen, met deze kennis doelbewust te handelen, rationeel te denken en effectief met de omgeving om te gaan. Het gaat dus eigenlijk over ‘alles’ wat hij/zij geleerd heeft en kan (nou ja, alles wat een beetje met school en leren te maken heeft). Het is een soort algemeen beeld van wat de jongere kan.

De Verbaal Begrip Index (VBI) hangt samen met het vermogen van een jongere om met behulp van taal te redeneren, om gedachtes uit te drukken. Daarnaast geeft deze Index ook een indruk van de kennis  die een jongere heeft opgedaan op school en in het dagelijks leven.

De Visueel-Ruimtelijke Index (VRI) bestaat uit opdrachten die een goede indruk geven van de vaardigheden van een jongere om visuele informatie te analyseren en verwerken. Er wordt een beroep gedaan op het inzien van deel-geheel  relaties, visuele integratie (het samenvoegen van de visuele informatie) en inzicht in ruimtelijke figuren (ruimtelijk inzicht).

Het Fluïd Redeneren (FRI) kan worden omschreven als het probleemoplossend vermogen. Bij deze Index gaat het om het verwerken van nieuwe informatie, inzicht in vraagstukken en het bedenken van nieuwe oplossingen. Het gaat om het ontdekken van (oorzaak-gevolg) relaties, het herkennen van onderliggende concepten en logisch redeneren. D.w.z. of de jongere goed kan bedenken hoe hij/zij iets kan aanpakken om tot een goede oplossing te komen.

Het Werkgeheugen (Werkgeheugenindex, WGI) omvat het kort kunnen onthouden en bewerken van eenvoudige informatie. Het werkgeheugen ligt aan de basis van het leren, het is belangrijk voor het onthouden en toepassen van nieuwe informatie zoals instructies, grammatica en rekenregels.

Bij de Verwerkingssnelheid Index (VSI) wordt gekeken naar de vaardigheden die een jongere heeft om snel informatie te verwerken en beslissingen te nemen. Hierbij speelt aandacht een belangrijke rol.

Wat is de NIO?

De NIO:

In groep 7 en 8 van de basisschool of in klas 1, 2 en  3 van het voortgezet onderwijs wordt soms de NIO afgenomen (Nederlands Intelligentie Onderzoek).

De NIO is een intelligentietest die in een groep wordt afgenomen. De test bestaat uit 6 onderdelen. De kinderen/jongeren krijgen per testonderdeel klassikale instructie, waarna ze zelfstandig aan het werk gaan.

Binnen de NIO wordt gekeken naar drie factoren, nl.:

  • Verbaal Vermogen: het begrijpen van en redeneren met behulp van taal
  • Rekenkundig en redeneervermogen: het oplossen van (reken) problemen, waarbij taal in

principe geen rol speelt

  • Ruimtelijk Inzicht: het inzicht in ruimtelijke structuren

De factor Verbaal Vermogen komt in de uitslag terug als het Verbale IQ (VIQ). De tweede en derde factor (Rekenkundig en Redeneervermogen, Ruimtelijk Inzicht) worden samen de Symbolische Intelligentie (SIQ) genoemd. Op basis van de totale prestatie wordt een Totaal IQ bepaald. (Dit is niet het gemiddelde van de drie factoren). De resultaten van de test kunnen samen met de andere schoolgegevens gebruikt worden om na te gaan welk onderwijsniveau goed bij het kind/ de jongere past.

Algemene informatie

Het Samenwerkingsverband NWN ondersteunt scholen voor voortgezet (speciaal) onderwijs in Schiedam, Vlaardingen, Maassluis en Maasland bij de begeleiding van leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften.

Meer informatie >

Informatie voor ouders en leerlingen

Informatie voor ouders en leerlingen over het samenwerkingsverband, passend onderwijs en onze scholen

Meer informatie >

Informatie voor professionals

Informatie voor professionals uit het onderwijs over het samenwerkingsverband, passend onderwijs en aanvraagprocedures.

Meer informatie >